Een man die de woorden van anderen kopieerde voor zijn beroep, kocht een vreemd boek voor twee munten. Het was geen papier of perkament. Het was gemaakt van de schors van jonge bomen. De kaft was van messing. De letters waren in een taal die hij niet kende. Hij bracht de rest van zijn leven door met proberen het te begrijpen. Hij schilderde de diagrammen op zijn muren. Hij toonde ze aan iedereen die op bezoek kwam. Niemand kon ze lezen. Hij liep jaren rond op zoek naar iemand die dat kon. Hij vond één man in Spanje. De man stierf op de weg naar huis. Maar tegen die tijd had de kopiist het principe begrepen. Hij en zijn vrouw werkten nog drie jaar. Toen maakten ze goud. Ze bouwden veertien huizen voor de armen. Ze repareerden zeven kerken. Ze vroegen om niets. Het boek kostte hem twee munten. Alles wat het hem verder kostte, was zijn leven.